PLO-logo-Nieuw-01

Door Jan Willem van der Hoeven

Yasser Arafat ontving de Nobelprijs voor de Vrede van de Noren, ondanks zijn meerdere moorden en misdaden, zowel tegen personen van vele volken als tegen de menselijkheid [1]. Zal de Israëlische regering nu echt aan Mahmoud Abbas (Abu Mazen) en andere erfgenamen van Arafat een eigen staat geven op het oude land van Israël?

De mores van de PLO

De moorddadige trend van de PLO is geworteld in haar vroegste geschiedenis en werd sindsdien niet alleen tegen Joden en Israëli’s, maar ook tegen andere staatsburgers, journalisten, diplomaten en zelfs tegen Palestijnen gericht, die haar lijn niet volgden. Het allereerste vermoorde slachtoffer van Yasser Arafat was Rork Hamid, een 20-jarige Palestijn verdacht van ontrouw. Toen Arafat vervolgens hoorde dat Hamid onschuldig was geweest, was hij verre van overstuur. Integendeel, deze openbaring sterkte hem eenvoudigweg in de overtuiging dat Hamid, als zijn eerste persoonlijke slachtoffer, een waardevolle “Ikhwanite” (moslimbroeder) – doelstelling had gediend.

Zoals Amim Hegoub tegen Thomas Kiernan vertelde:

“De schietpartij met de jonge Hamid maakte een einde aan alle neigingen, die we zouden kunnen hebben gehad (Arafat) niet serieus te nemen. Het was als een inwijdingsrite voor hem… daarna werden onze guerrilla-activiteiten een dodelijk serieuze zaak.” [2]

Een voormalige vriend van Arafat, tegenwoordig Egyptisch aardolie-ingenieur Walid Jiryis, vertelt het volgende:

“Naar mijn mening, veranderde het winnen van het voorzitterschap van het Palestijns Volksgevechtsfront Yasser in een op macht beluste maniak… Hij zei dat hij niet langer goede vrienden kon hebben, omdat er misschien momenten waren, dat hij iemand moest disciplineren of ontslaan of zelfs straffen en als hij een vriend was…

Er was een gelegenheid dat hij dit deed. Er was een student van wie de ouders hem in de oorlog van ’48 uit Palestina hadden gestuurd om bij familie in Cairo te wonen. Toen de oorlog was afgelopen wilden de Israëli’s niet toestaan, dat de jongen terugkeerde naar zijn ouders. Hij had geen zelfbesef, maar zou de leiding volgen van iemand die enige vriendelijkheid voor hem toonde. Yasser had hem aangeworven… Hij vereerde Yasser.

Dan – oh, een jaar later – ontdekte Yasser dat de ouders (van de jongen) in Israël woonden (en) blijkbaar tevreden waren. Yasser probeerde de jongen zover te krijgen zijn ouders publiekelijk aan te geven. De jongen zou zo ongeveer alles voor Yasser hebben gedaan. Maar dit! Dit kon hij niet doen…

Dus Yasser begon hem lastig te vallen om hen belachelijk te maken. Toch wilde de jongen zijn ouders niet veroordelen. Yasser, zou ik zeggen, hield echt van de jongen. Hij was delicaat, gevoelig, een bloem. Hij was heel echt een deel van de binnenste cirkel van Yasser – vier of vijf jongens, die woonden op dezelfde plaats en, nou ja, je kunt je voorstellen wat ik bedoel. En wat deed Yasser?

Er was een andere jongen – we noemden hem Het Kromzwaard – hij was een Bedoeïen. Hij was totaal meedogenloos. Yasser hield een soort formele hoorzitting voor de jongen, wiens ouders in Israël woonden en die hij niet aan de kaak wilde stellen…  Hij huilde toen hij naar de jongen wees en hij zei: “Mijn hart doet pijn voor Ahmed…”  Het was erg dramatisch. En toen zei hij: “Maar mijn Arabische broer Ahmed is niet in staat om een echte “feday” te zijn, dus moet hij worden onderwezen.”

Daarop verscheen de jongen die we Het Kromzwaard noemden met een mes. Yasser snikte en snikte toen Het Kromzwaard ertoe overging de jongen te castreren. De volgende dag was de jongen dood. Hij had zelfmoord gepleegd. Daarna werd het Yassers gewoonte om te zeggen dat hij geen vrienden kon hebben.”[3]  Moord en marteling werden een integraal onderdeel van de persoonlijkheid van Yasser Arafat en het karakter van zijn PLO beweging. Het resulteerde in de moord op talloze onschuldige mensen over de hele wereld.”

Tweeslachtige houding journalistiek

De Jerusalem Conferentie over Internationaal Terrorisme definieerde terrorisme als: “De opzettelijke, systematische moord, verminking en bedreiging van de onschuldige, teneinde angst aan te wakkeren om politieke doelen te behalen.” Dat is in het kort een groot deel van de smerige geschiedenis van de PLO en de geschiedenis van de terroristische groeperingen, die ermee verbonden zijn.

In een verklaring op de conferentie, diende de voormalige senator Henry Jackson, onder andere, in:

  • Een unanieme veroordeling van het terrorisme zonder voorbehoud of reserve.
  • De handhaving van een internationaal verdrag tegen terrorisme. Waarop de definitie van terrorisme als een internationale misdaad, de ontkenning van de politieke status voor misdadigers die als zodanig zijn gedefinieerd, gemeenschappelijke procedures voor uitlevering, passende straffen en de uitwisseling van bewijsmateriaal van toepassing zou zijn.
  • Een aanvullende overeenkomst om gecoördineerde maatregelen, met inbegrip van diplomatieke, economische en andere sancties, te treffen tegen landen die terroristen helpen.
  • Een energieke en voortdurende inspanning om de publieke opinie te waarschuwen voor de gevaren van het terrorisme voor de burgerlijke vrijheden en de rechten van het individu in een vrije samenleving en de behoefte aan doeltreffende maatregelen ter bestrijding daarvan.” [4]

In het licht van deze duidelijke conclusies is het schandalig, dat er politici zijn die – omwille van immoreel politiek opportunisme – suggereren, dat een status van respectabiliteit moet worden toegekend aan diegenen, die, op zijn minst, moeten worden berecht voor misdaden tegen de menselijkheid.

Men vraagt zich af waar de journalisten waren – die voortdurend klaar staan om de kleinste overtreding van Israël te bekritiseren – toen de PLO in Libanon hun collega’s vermoordde, omdat ze er niet in slaagden te rapporteren zoals Arafat wenste?

  • Larry Buchman en Sean Toolan, correspondenten voor ABC TV;
  • Mark Tryon, voor de Vrije Radio België;
  • Robert Pfeffer, correspondent van Der Spiegel en Unita;
  • Tony Italo en Graciela Difaco, Italiaanse journalisten;
  • Jean Lougeau, correspondent voor de Franse TFI;

Allen vermoord.

En we hebben die Arabische journalisten niet genoemd, die in hun moedige en eerlijke rapportage er niet in slaagden om in de lijn te lopen met de PLO.

In lijn met het voorbeeld van Dr. Goebbels, beheersten zowel de PLO als de Syriërs de kranten en omroepen, de inhoud van nieuwsberichten en alle gepubliceerde commentaar; en beiden oefenden censuur uit op de Libanese en buitenlandse pers. Dit betekende vanzelfsprekend, dat het nieuws dat vanuit Libanon werd uitgezonden waarschijnlijk niet betrouwbaar was, maar de westerse nieuwsmedia hielden deze informatie verborgen voor hun publiek. [5]

PLO-logo-Nieuw-01 De Palestijnse Autoriteit heeft een speciaal nieuw logo uitgebracht ter gelegenheid van het 48-jarig bestaan van de PLO (eind 2012). In het logo is een witte duif te zien, de Rotskoepel, en een zwart-witgeblokte keffiyah in de vorm van de huidige grenzen van de Staat Israël. Bron: Palestinian Media Watch

Misleidende terminologie

Met grimmige duidelijkheid verklaart Frank Gervasi van het Centrum voor Internationale Veiligheid de zevenjarige heerschappij van terreur de PLO in Beiroet:

“Een van mijn informanten was Frederick el-Murr, een 54-jarige civiel ingenieur en vooraanstaand Libanese industrieel. Net als Dr. Torbey is El-Murr ervan overtuigd, dat wat er in Libanon vanaf 1975 en daarna gebeurd was, volgend op de triomfantelijke terugkeer van Arafat van de Verenigde Naties, geen “burgeroorlog” was, zoals de pers zich haastte het te karakteriseren, maar een verovering van mijn land door de PLO en de Syriërs.”

“De terroristen,” voegt El-Murr toe: “vernietigden met artillerie en Katyusha raketten bijna geheel zulke christelijke steden als Damour [6] en Tyrus en beschadigden zwaar overwegend islamitisch Sidon. In West-Beiroet blijft nauwelijks een gebouw onaangetast.

En we hebben verminkingen en verkrachtingen gezien. Een favoriete methode om zich van politieke tegenstanders te ontdoen was om de voeten van de mannelijke slachtoffers vast te maken aan afzonderlijke auto’s en in tegengestelde richting te versnellen. Een voorbeeld van zo’n incident werd gezien door mijn 17-jarige dochter Nada.”

Intimidatie van de pers

De wandaden, beschreven door Dr. Torbey en El-Murr, waren alleen te vergelijken met de wandaden die werden begaan door de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog, met verfijningen, die doen herinneren aan de Donkere Middeleeuwen. Hoe slaagde, wat beiden noemden “een georganiseerde bende criminelen” erin om een schrikbewind en de stilte gedurende meer dan zeven jaar op te leggen aan een bevolking van honderdduizenden?

Een gedeeltelijk antwoord werd verstrekt door El-Murr, die zei dat de PLO “veel geld had” waarmee Libanese redacteuren en journalisten werden “overtuigd” gunstig te schrijven over de zogenaamde ‘revolutie’ van de PLO, of om te zwijgen. Een redacteur, die de PLO niet kon “kopen”, zei El-Murr, was zijn vriend Salim El-Lawzi, eigenaar van het onafhankelijke Libanese Arabische weekblad El-Hawadess. Hoe El-Lawzi precies “tot zwijgen gebracht” werd gebracht heb, heb ik vernomen van andere bronnen; moslimjournalisten, die er de voorkeur aan gaven anoniem te blijven.

El Lawzi was een Libanese patriot uit een van de rijkste islamitische gezinnen in West-Beiroet en vooral een moedige journalist. Hij begon zijn landgenoten te waarschuwen tegen de Palestijnse terroristische organisaties in het begin van de jaren 70, toen hij zag, dat hun uiteindelijke doel de oprichting was van een staat binnen de staat Libanon. Bedreigingen tegen zijn persoon begonnen in 1975.

El-Lawzi negeerde de waarschuwingen, tot twee explosieve ladingen op een avond ontploften in het gebouw dat de persen, redactionele kamers en administratieve kantoren van het weekblad huisvestte. Het hele gebouw stortte in. El-Lawzi verhuisde naar Londen, waar hij zijn krant weer tot leven bracht en zijn redactionele anti-PLO beleid voortzette. Hij bleef gedurende drie jaar uit de buurt van Beiroet, maar de wens om zijn familieleden te bezoeken die hij had achtergelaten, werd hem de baas.

Na het verkrijgen van een “vrijgeleide” van zijn vriend, de toenmalige premier Salim al-Hus, landde El-Lawzi in Libanon in juli 1978. Een paar dagen eerder was de laatste editie van zijn blad verschenen in de Libanese hoofdstad met een zinderende aanval op de Arabische olielanden die, aldus de krant, verzekering kochten tegen PLO terreur binnen de eigen grenzen, door de financiering van het verblijf van de “moordenaarsbendes en dieven in Libanon…”

Aan het eind van zijn bezoek werd (de auto van El-Lawzi) aangehouden bij een wegversperring van het Syrische leger, waar een groep gewapende mannen van de pro-Syrische terroristische organisatie die bekend staat als As-Saiqa hem uit de auto sleepten… El-Lawzi werd meegenomen naar het beruchte PLO bergdorp Armoun. Daar werd het slachtoffer gedurende drie dagen in de folterkamers gehouden. De vingers van zijn handen werden kootje voor kootje afgesneden. Hij werd vervolgens uiteengereten en zijn overblijfselen werden verspreid over het dorp. Gruwelijke foto’s van het verminkte lichaam van El-Lawzi verspreidden schok en afschuw in de hele journalistieke kolonie van de hoofdstad.

In de loop van de jaren terroriseerde de PLO met overeenstemming, gedwongen of in stilte de hele Libanese persgemeenschap, met behulp van brandstichting, sabotage, moord en omkoping om haar doel te bereiken.

Goed geïnformeerde Libanese verslaggevers die in staat waren om vrijuit te spreken nadat de Israëli’s Arafat en zijn schietgrage volgelingen hadden verdreven, zeiden dat de meesten van het perscorps van de hoofdstad – binnen- en buitenlanders – tijdens de lange bezetting door de Palestijnse “maffia” waren opgenomen in een “samenzwering van stilzwijgen”.

Het was niet ongewoon dat de journalistieke tegenstanders van terroristische activiteiten in Libanon menselijke ledematen in plastic containers voor hun deur vonden met waarschuwingen dat, tenzij zij redactioneel precies deden wat er opgedragen werd, ook zij zouden “eindigen verpakt in plastic.” Geen wonder dat in deze sfeer misschien zelfs een aantal trouwe westerse correspondenten zeer op hun hoede waren zich niet de woede van de PLO op de hals te halen.

Ondanks de pesterijen stelden verantwoordelijke Libanese journalisten echter wat zij noemden, “een album van terroristische gruweldaden” samen. Clandestien gepubliceerd in 1978, werd het document snel onderdrukt in Libanon en zag nooit het daglicht in het buitenland. Dus de buitenwereld bleef onwetend van de ware aard van de PLO en zich volkomen onbewust van Arafat’s voorbereidingen voor de uiteindelijke jihad tegen Israël. [7]

Het beschaafde Westen zwijgt

Men zou denken dat dergelijke wrede en intimiderende praktijken onder de leden van de internationale persgemeenschap – vooral die met kantoren in het Westen – genoeg ethische en morele verontwaardiging, moed en ronduit achting voor hun collega’s zouden wekken, om hen te dwingen om gerechtigheid te eisen. Maar het tegendeel is waar. De moorddadige Arafat en meer recentelijk zijn woordvoerders Hanan Ashrawi en (wijlen) Faisel Husseini bleven, gewoonweg ongelooflijk, de lievelingen van de pers. Tot vandaag lijkt Dr. Ashrawi geen persoonlijke problemen te hebben met de bloedige praktijken van haar geliefde voormalige leider.

Toen Arafat voor de hele wereld loog en beweerde “om van alle vormen van terrorisme af te zien”, en toen, als gevolg van deze misleidende verklaring de Verenigde Staten ermee instemden een dialoog met de PLO te beginnen en daarmee de moorddadige organisatie respect verleende, vertelde een journalist, die in Genève aanwezig was aan mij hoe euforisch vrijwel al zijn collega’s waren, die op dat moment met hem erbij waren.

Washington stemde ermee in met de PLO te spreken door middel van de Tunesische ambassadeur in de VS, Pelletreau.

Ook hier zou je denken dat na uiteindelijk erkenning van de VS te hebben verkregen, de PLO in de eerste ontmoeting met de supermacht ten minste een schijn van respect zou hebben voorgewend. In plaats daarvan gebeurde het ongelooflijke. Een van de officiële leden van de PLO-delegatie die met Pelletreau vergaderden was Aboe Tarig, de man die 15 jaar eerder het magazijn van zijn aanvalsgeweer van Russische makelij leegde op de Amerikaanse ambassadeur Cleo Noel, George C. Moore, en de Belgische zaakgelastigde Guy Eid[8]

Het lijkt onbegrijpelijk dat de terreurgroep niemand anders in het veld bracht dan de niet-berechte moordenaar van de collega van Pelletreau. Maar dit was de brutale aard van de PLO – en het wierp zijn vruchten af.

Dubbele moraal

Meestal lijkt de journalistieke en diplomatieke wereld zich om een of andere reden te laten misbruiken door mensen zoals Ashrawi, te vereren, die nog nooit publiekelijk gruwelijke wreedheden van de PLO veroordeelden en zo zichzelf tonen als zonder enig karakter of ruggengraat.

PA verwijdert monument in de vorm van de kaart van ‘Palestina’die Israël omvat zodat de Amerikaanse president Obama het niet zou zien. Bron: Palestinian Media Watch PA verwijdert monument in de vorm van de kaart van “Palestina” die Israël omvat, zodat Obama het niet zou zien (bron: Palestinian Media Watch)

Als Israël maar een fractie van al deze moorden had begaan – laten we zeggen, maar één onsympathieke buitenlandse journalist gedood had (waarvan er genoeg zijn) – dan zou de wereld te klein zijn geweest om de verontwaardiging te bevatten.

Misschien is na dit alles de oorverdovende stilte van ’s werelds meeste journalisten – en dus ook van de meeste diplomaten – in het licht van zulke gruwelijke misdaden niet moeilijk te begrijpen. En dat het misdaden tegen de menselijkheid waren, werd nog eens aangetoond tijdens de zeven jaren van PLO-terreur in Libanon, van 1975 tot 1982 toen Israël hen verdreef.

Torbey bevestigde dat sinds 1975 ongeveer 100.000 mensen werden afgeslacht door Arafats volgelingen en hun Syrische partners. “Veel slachtoffers,” zei hij, “waren geen christenen maar moslims. Hun dood werd harteloos gebruikt in een berekende poging om de wereld te doen geloven, dat wat er gebeurde in Libanon geen PLO-overname van het land was, maar een ‘burgeroorlog’ tussen de twee belangrijkste religieuze groepen.”

Als arts werd Dr. Torbey vaak opgeroepen om te zorgen voor slachtoffers van PLO martelingensessies, die meestal werden uitgevoerd in het ‘detentiecentrum’ van de terroristen in Armoun, een dorp in de bergen ten oosten van Beiroet.

‘Ik weet van gevallen,’ zei Dr. Torbey, ‘van mensen die in zuurtanks werden gegooid en gereduceerd tot onherkenbare massa’s poreus bot. Veel jonge meisjes kwamen bij mij voor abortussen na verkrachting door PLO-gangsters. Heel vaak was mijn auto de enige auto, die circuleerde door de gevaarlijke straten van West-Beiroet in het donker, om een of ander ongelukkig slachtoffer van of de PLO, of het Syrische geweld te helpen. Ik behandelde mensen met ernstige schotwonden aan hun armen en mannen, waarvan de testikels waren verpletterd door folteraars.

“Ik zag mannen – levende mannen, let wel – die door de straten gesleept werden door snel rijdende auto’s, waaraan zij met hun voeten gebonden waren. Dit alles, daar ben ik zeker van, was in de beginjaren gemotiveerd door de wens om de indruk te wekken dat er een burgeroorlog aan de hand was.

“In die tijd hadden de Libanezen niets om zich mee te verdedigen en niemand om hen te helpen, zodat het gemakkelijk was voor de terroristen om woningen, winkels, garages, appartementen, huizen – alles wat ze wilden, over te nemen. Onze kinderen groeiden op in angst en onze mensen, beroofd van hun huizen en bezittingen, werden teruggeworpen naar een leven als bedoeïenen, verhuizend van plaats naar plaats om toevlucht tegen de terreur te zoeken. De gelukkigen werden ontvangen door vrienden of familie in de heuvels en bergen in het noorden of zuiden. De minder bedeelden leefden als opgejaagde dieren.” [9]

“De PLO leerde me om ze te haten, niet omdat ze eisten dat ik hun gewonden kosteloos behandelde en ook niet omdat ze zich gedroegen alsof mijn ziekenhuis hen toebehoorde,” vertelde Dr. Ghassen Hamoud, directeur-eigenaar van de grootste, best uitgeruste van de elf ziekenhuizen van Sidon, Ma ‘ariv (16-07-1982) en Ha’aretz (26-07-1982). Het was toen ze in de operatiekamer kwamen en ons dwongen om een operatie te stoppen en in plaats daarvan hun gewonde te behandelen… en één van onze artsen hard sloegen die weigerde hen te gehoorzamen… dat ik me realiseerde dat ze beesten uit de jungle waren.” [10]

(Als dat is wat de PLO deed met een bevriend Arabisch land dat zijn deuren had geopend voor de Palestijnen, is het geen wonder, dat de Palestijnse PA en Hamas de Arabieren van Gaza en de “West Bank” aan een schrikbewind hebben onderworpen, daarmee allen die durven om het niet met hen eens te zijn, het zwijgen opleggend.)

Lange lijst van terreurdaden

Als dit alles nog niet genoeg is om te registreren, legt John Laffin in The PLO Connections, de bloedige litanie van een organisatie uit die dronken is van de macht van de terreur:

“Terrorisme is gemeengoed geworden in vele delen van de wereld sinds de PLO het instelde als een feit van het moderne politieke leven. Maar de Palestijnse groepen hielden verschillende records op het gebied van terrorisme. Hiertoe behoren:

  • De grootste kaping.  September 1970, het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP) kaapte vier vliegtuigen in een enkele operatie. Een vliegtuig van de Pan American werd opgeblazen in Cairo terwijl vliegtuigen van Swissair, BOAC en TWA werden vernietigd in de buurt van Amman. Een vijfde vliegtuig, van de El Al, ontkwam de kaping.
  • Het grootste aantal gijzelaars in één keer. Volgend op de meervoudige kaping werden 300 passagiers gegijzeld voor politieke chantage – de vrijlating van terroristen vastgehouden door Groot-Brittannië, Zwitserland en Duitsland. De chantage was succesvol.
  • Het grootste aantal slachtoffers doden en gewonden door een enkele boobytrap bom. Op 4 juli 1975 werden 15 Israëli’s gedood en 87 gewond door een PLO bom, die in een koelkast was aangebracht op het Zion Square in Jeruzalem.
  • Het grootste aantal slachtoffers in een terroristische aanval. Op 11 maart 1978 doodden Fatah terroristen 38 mensen en verwondden 70 na het overvallen van twee bussen van de Israëli’s op een vakantieuitje. De operatie werd goedgekeurd door Yasser Arafat.
  • De ergste explosie midden in de lucht. Op 21 februari 1970 werd een Zwitsers vliegtuig opgeblazen en 38 passagiers en negen bemanningsleden werden gedood. Het algemeen commando van het Palestijnse Bevrijdingsfront nam de verantwoording op zich.
  • Het grootste aantal mensen doodgeschoten op een luchthaven. 17 december 1973. De Zwarte September doodde 31 mensen op Rome Airport, 29 personen waren aan boord van een Pan Am vliegtuig.
  • De langst aanhoudende terroristische campagne. Tussen september 1967 en december 1980 voerden terroristen gelieerd aan de PLO ten minste 300 aanvallen uit – bombardementen, schietpartijen, kapingen, raketaanvallen, ontvoeringen – in 26 landen. Totaal aantal slachtoffers: 813 gedood, 1013 gewond. Meer dan 90 procent van de 2755 gijzelaars waren geen Israëli’s.
  • Het grootste bedrag aan losgeld. In februari 1972 kaapte de PFLP een vliegtuig van de Lufthansa naar Aden en gijzelde de passagiers. Er werd losgeld van vijf miljoen dollar gevraagd, dat Lufthansa betaalde. In oktober 1977 werd nog een Lufthansa vliegtuig gekaapt door de PFLP in opdracht van terroristen van de Duitse Baader-Meinhoff groep en een losgeld van 15-miljoen dollar gevraagd. Het werd niet betaald, omdat de West-Duitse Special Forces de passagiers bevrijdden in Mogadishu.
  • De rijkste terroristische organisatie. Hoewel het onmogelijk is om nauwkeurige cijfers te geven, is het bekend dat de PLO een jaarlijks inkomen van ten minste 800 miljoen pond sterling heeft. In 1981 doneerde Saoedi-Arabië 30 miljoen dollar.
  • Grootste verscheidenheid aan doelen. Tussen 1967 en 1980 pleegde de PLO meer dan 200 grote terroristische acties in of tegen andere landen dan Israël. Ze vielen 40 burgerpassagiersvliegtuigen aan, vijf passagiersschepen, 30 ambassades of diplomatieke missies en ongeveer hetzelfde aantal economische doelen, met inbegrip van brandstofdepots en fabrieken.

Het zou redelijk zijn om aan te nemen, dat met een dergelijke achtergrond de naties van de wereld zich voor altijd collectief tegen de PLO zouden hebben gekeerd. In plaats daarvan had de organisatie in 1980 indrukwekkend diplomatiek succes en acceptatie bereikt. De organisatie kreeg toestemming om – in tal van hoofdsteden en grote steden 82 kantoren te openen – die in sommige gevallen de status van quasi-ambassadeursniveau hebben. Het kreeg een permanent kantoor met een eigen vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties. De leider, Yasser Arafat, werd alom geprezen bij de Verenigde Naties, die hij toesprak – en niemand leek zich tegen hem te verzetten voor het dragen van een pistool in de zaal.[11]

In plaats van een proces van het Neurenberg-type te houden voor de mensen van deze organisatie, waren en zijn er na dit alles Israëli’s geweest die slap genoeg waren om met hen te willen praten of te onderhandelen. Als Israël dergelijke eerbiedwaardigheid verleent aan mensen die hun handen met Joods en ander bloed besmeurd hebben, welk recht kan deze natie dan hebben morele verontwaardiging te uiten tegen mensen, die gastvrijheid verlenen aan en onderhandelen met nazi’s en andere antisemieten?

Gruweldaden

Als al het bovenstaande niet genoeg is, moet het volgende zeker werkelijkheidszin opwekken:

Tijdens het fouilleren van een burger van de stad, vond de PLO Israëlische geld en een paar in Israël gemaakte schoenen bij hem…  Zijn handen en benen werden aan de spatborden van vier voertuigen geketend. Toen een Fatah officier een sein gaf met zijn pistool, reden de vier auto’s weg, scheurden zijn lichaam uit elkaar, terwijl de toeschouwers schreeuwden van afschuw. De auto’s snelden door de straten met de bloedige ledematen erachter bengelend. Mensen vielen flauw. [12]

Dit gruwelijke verhaal roept levendig een andere afrekening op, 40 jaar eerder ondervonden door de hoofdpersoon Felicia, zoals verteld door Livia Bitton Jackson in “Elli – Coming of Age in the Holocaust”. Het was vrijdagavond, en (Felicia’s) familie zat rond de eettafel. Een van de soldaten legde zijn pistool in haar hand en beval haar om op haar familie te schieten, elk van hen – haar baby, echtgenoot, vader en moeder. Felicia schreeuwde geschrokken en gaf het wapen terug aan de soldaat.

De soldaat herhaalde zijn bevel en dit keer voegde hij er zijn voorwaarde aan toe: “Als je het niet doet zal ik ze doden, maar niet zo eenvoudig. Ze zullen sterven in een langzame doodsstrijd…”

“De Duitsers keken elkaar aan en grijnsden,” zei Felicia in een gekwelde fluistering. “Ik gilde als een dolle vrouw. ‘Nee, ik zal dat nooit doen!’ De soldaat, een lange, potige man van eind twintig, stapte naar de kinderstoel waar de baby zat. ‘Is dit jouw baby?’ vroeg hij. Toen ik knikte, nam hij de baby bij de schouders en zei: ‘Als je niet doet wat ik zeg, zal ik uw baby doden. Een van de soldaten gaf me een pistool. ‘Schiet,’ zei de eerste soldaat. Terwijl ik aan de grond genageld stond, onbeweeglijk zwaaide hij de kleine jongen met zijn hoofd naar beneden en riep een van zijn mannen elk van de voeten van de baby vast te houden.  En dan, ieder een voet vasthoudend, scheurden ze mijn kind in tweeën… mijn kind, mijn eigen kleine jongetje… precies voor mijn ogen…” Felicia’s snikken zijn als het gehuil van een dier.

Haar gezicht in haar handen verbergend gaat ze door: “Dit is wat we zullen doen met je familie als je niet op ze schiet. Scheur ze in stukken. Beetje bij beetje. Hoor je me? Nu schieten! Ik schreeuwde en schreeuwde en begon te schieten. Ik schoot op iedereen, iedereen. Toen ik klaar was, namen ze snel het pistool van mij weg. Ik wilde zelfmoord plegen als laatste. Maar ze lieten het me niet doen! Hoor je me? Dat deden ze niet…”  Ze valt op haar gezicht en schreeuwt als een dol beest. “Ze lieten het me niet doen…” Ze slaat haar hoofd met haar vuisten. “Ze lieten me niet sterven…”

We waren met stomheid geslagen. Mijn God, wat een onaardse gruwel. Maar ze gaat meedogenloos verder: “Ze namen mij met hen mee en brachten me in een gebouw met andere Joodse vrouwen, die allen werden gescheiden van hun families. Ik weet niet waar hun families waren. Niemand sprak.

“We verbleven daar enkele dagen of weken, ik weet het niet meer. Toen brachten ze ons hier in dit kamp. Mijwerd een barak toegewezen als Blockälteste. De Duitsers zeiden dat ik de positie verdiende. Ik was een dappere vrouw. Ik verdiende deze positie. Nu weet je het.”

Felicia bleef de hele nacht snikken. Niemand kan haar pijn verlichten. We zijn stil tegenover haar zielsangst. [13]

De ware bedoelingen van de PLO

  • De PLO werd in 1964 opgericht, drie jaar voor de Zesdaagse Oorlog van 1967 – ongetwijfeld niet om de “West Bank” te bevrijden van de Israëlische “bezetting”, omdat deze gebieden toen niet onder Israëlisch bestuur waren.
  • De naam Palestijnse Bevrijdingsorganisatie zegt het al: Palestina, alles, moet worden bevrijd uit de Israëlische soevereiniteit. Als slechts de helft van Palestina moest worden bevrijd zou de organisatie de HPLO zijn genoemd.
  • Elk officieel briefhoofd en het embleem van de PLO en haar bijbehorende terreurorganisaties beeldt als uiteindelijk doel een kaart van heel Israël af.
  • PLO woordvoerders en besluiten van de organisatie, zo recent als eind vorig jaar, verklaren publiekelijk, dat als ze erin slagen de soevereiniteit over de “West Bank” te verkrijgen, het alleen de eerste fase zal zijn naar de volledige ‘bevrijding “van Palestina.

Door te onderhandelen met de PLO zal Israël het vredesproces niet bevorderen, maar zal helpen in het proces, dat zal uitmonden in de volledige ontmanteling van haar eigen staat.

Arafat en zijn PLO stonden warm sympathiek tegenover Ayatollah Khomeini en Saddam Hoessein, zelfs na alle moordpartijen waarmee diens poging tot annexatie van Koeweit vergezeld gingen. Nadat China duizenden studenten op het Tiananmen Plein verpletterde, zond Arafat zijn telegram met felicitaties aan de Chinese leiders “voor het aldus herstellen van de orde.” Hij steunde de communistische hardliners bij hun staatsgreep tegen Gorbatsjov – en kwam ermee weg.

Recht vereist voor de slachtoffers

En toch werd Arafat ondanks alles door leiders uit Oost en West, schijnbaar zonder afschuw over wat hij had gedaan, ontvangen. Had Israël niet op zijn minst enige integriteit moeten tonen, na alles wat vooraf is gegaan?

Zijn de ontelbare mensen – mannen, vrouwen en kinderen – die kwaadaardig werden vermoord, gemarteld en verkracht, geen voldoende reden voor Israël om nooit meer contact te hebben met de PLO – of minstens eisen dat recht wordt gedaan, uit respect voor het vergoten bloed,  het verdriet en de pijn, dat zeker de Hemel heeft bereikt?

Simon Wiesenthal schreef:

“Voor het eerst in mijn leven zag ik wat een enorme lafaards de nazi’s waren. Hoe, in plaats van hun schuld te verwerken, probeerden ze het te ontkennen, zodat ze het uiteindelijk zelf niet konden zien. Ieder van ons overlevenden was een getuige en had de plicht om te getuigen. Het meest van allen een overlevende Jood. Het besef dat ik in leven bleef, terwijl zo vele anderen – die beter, slimmer, fatsoenlijker waren – waren gestorven, leek me op sommige momenten bijna een belediging voor de rechtvaardigheid. Ik kon het evenwicht alleen herstellen door ervoor te zorgen, dat de doden rechtvaardigheid ontvingen.” [14]

Laten degenen, die geïnteresseerd zijn in verder onderzoek van deze uiterst ernstige en belangrijke kwestie, naar deze website gaan: www.saynotoapalestinianstate.com

Jan Willem van der Hoeven, Directeur

International Christian Zionist Center

[1] Crimes against humanity – Rome Statute – ICC – http://en.wikipedia.org/wiki/Crimes_against_humanity

[2] Thomas Kiernan, Arafat, the man and the myth (London, Sphere Books Ltd, 1976) p138

[3] Kiernan, ibid, p153,154

[4] Paul Johnson, The Seven Deadly Sins of Terrorism, (Jerusalem, The Jonathan Institute, 1979) p16

[5] Jillian Becker, The PLO, The Rise and Fall of the Palestine Liberation Organization, (London, Weidenfeld & Nicolson, 1984) p244-250

[6] Middle East Information Center – The Massacre and Destruction of Damour – http://www.middleeastinfo.org/forum/index.php?showtopic=10557

[7] Frank Gervasi, The War in Lebanon – (The Center for International Security 1983)

[8] Neil C. Livingstone & David Halevy, Inside the PLO (New York, William Morrow & Co, 1990) p287

[9] Gervasi, ibid, p242,243

[10] Eliyahu Tal, The PLO. Now the Story can be Told, (Tel Aviv, [Department of Information, WZO] Achduth, 1982) p45

[11] John Laffin, The PLO Connections, (London, Transworld,1982) p18,19

[12] Salah Shafro, Mukhtar of Burj-Bachel. Ma’ariv, July 16, 1982

[13] Livia E. Bitton Jackson, Elli: Coming of Age in the Holocaust, (London, Collins, [Grafton] 1980) p116-117

[14] Simon Wiesenthal, Justice Not Vengeance, (London, Weidenfeld and Nicolson, 1989)