Eternal Nazi-the-boek

‘De Eeuwige Nazi’ vertelt het meeslepende verhaal van de jacht op Aribert Heim en de Duitse detective die hem meedogenloos achtervolgde

Door David Mikics, 9 juni 2014

“Alles zou anders zijn geweest als ik geboren was in een gelukkig (gezin) met mensen, die iets om me gaven,” schreef Josef Mengele in de 500 bladzijden tellende autobiografie, die na zijn dood ontdekt werd. Mengele’s autobiografie biedt een verontrustend spektakel: het pathetische gejammer van een verwende, sadistische moordenaar, vermengd met preken over raciale superioriteit en vreemde tekeningetjes van konijntjes en houten kasten. Mengele is een voortreffelijk voorbeeld van de drang van de dader om zichzelf te zien als een lijder, een gemeenschappelijk syndroom onder oorlogsmisdadigers. In Auschwitz was hij een godheid die de dood toediende; na de oorlog werd hij een zwakkeling.

Toen Mengele in 1979 tijdens het zwemmen voor de kust van Brazilië verdronk werd hij de beroemdste Nazi die aan veroordeling voor zijn misdaden ontsnapte. Maar er was nog een voortvluchtige Nazi, die het veel langer volhield: Aribert Heim, die net zoals Mengele zowel arts als een genocidale moordenaar was. Heim, die er lang, sportief en knap uitzag, diende in het Oostenrijkse concentratiekamp Mauthausen in 1942 en 1943, waar de gevangenen hem ‘Dr. Dood’ noemden. Na de oorlog speelde hij een tijd in een Duits hockey team in Bad Nauheim, daarna werd hij een succesvolle gynaecoloog in Baden-Baden en uiteindelijk vluchtte hij naar Egypte, waar hij in 1992 overleed, na er jaren in eenzaamheid gewoond te hebben en zich vervolgens tot de Islam te bekeren. Het merendeel van de kwaadwilligen uit het Derde Rijk leefden in het naoorlogse Duitsland een rustig en comfortabel leven. Heim zou wellicht ook aan het net van de justitie ontsnapt zijn, wanneer hij niet de aandacht op zich gevestigd had, door uit de Bondsrepubliek, waarvan de burgers allemaal popelden om zijn misdaden te verzwijgen, weg te vluchten.

Nicholas Kulish en Souad Mekhennet vertellen het verhaal van Heim in The Eternal Nazi: From Mauthausen to Cairo, the Relentless Pursuit of SS Doctor Aribert Heim (De eeuwige nazi van Mauthausen tot Caïro, de meedogenloze achtervolging van SS-arts Aribert Heim), en het is schokkend. Heim genoot er blijkbaar van benzine rechtstreeks in de harten van de gevangenen, vooral Joden te injecteren. Soms sneed hij het hoofd van een lijk en na het vlees gekookt en eraf gehaald te hebben, gaf hij de schedel aan een vriend of stelde hem tentoon als een trofee. Hij zei eens tegen een 12-jarige Joodse jongen, vóórdat hij hem een dodelijke injectie gaf, dat zijn dood gerechtvaardigd was, omdat de Joden de oorlog waren begonnen.

Toen Kulish en Mekhennet naar Caïro reisden om Heim’s leven en dood te onderzoeken, vonden ze een aktetas gevuld met zijn memorabilia, inclusief reisbrochures, oude foto’s en schetsen, die Heim had gemaakt van zijn medische toestand. In de tas ontdekten ze een lang artikel waarin Heim, opgewonden zoals vele antisemieten door Arthur Koestler’s boek De Dertiende Stam, aanvoerde dat de joden eigenlijk afstammen van de Khazaren en dus op een of andere manier niet bestonden en dat daarom het antisemitisme ook niet bestond. Als de Joodse mensen een “kolossaal bedrog” waren, zoals Heim volhield, dan moesten hun eisen tegen Duitsland ook een geval van fraude zijn en “antisemitisme zal geen betekenis hebben” omdat de Joden geen Semieten zijn.

In andere geschriften gevonden in de aktetas, vergeleek Heim zichzelf met Menachem Begin, die net de Israëlische premier zou worden. Heim klaagde, dat hij werd vervolgd door zijn landgenoten, in plaats van geëerd te worden voor zijn diensten voor zijn vaderland, zoals Begin, die ook onschuldige mensen had gedood. Gedurende zijn laatste jaren in Egypte, schreef Heim van tijd tot tijd gecodeerde brieven aan zijn familie in Duitsland, maar zelfs zijn collega Nazi’s in Egypte wisten niets van hem. Zoals Kulish en Mekhennet opmerken, is de ironie van het leven van Heim, dat, wanneer hij in West Duitsland terechtgestaan zou hebben, hij waarschijnlijk maar een paar jaar gevangenisstraf gekregen zou hebben. Duitse straffen voor Nazi-misdadigers zoals Heim waren op beruchte wijze licht en vrijspraken werden gemakkelijk verkregen. De meeste Nazi-daders werden in het geheel niet berecht. Door het verhaal van Heim te vertellen, toont De Eeuwige Nazi aan, hoe lang het voor Duitsland duurde, volledig af te rekenen met het Nazi-verleden, een goede 30 jaar. Net zoals een archaïsch fossiel tot leven veert, werd Heim in de jaren ’80 een levende herinnering aan een tijd waarin Nazi-misdadigers in de Duitse samenleving werden aanvaard en gevrijwaard bleven van bestraffing door vrienden, familie en het rechtssysteem.

***

In het algemeen denken we dat er twee soorten daders van oorlogsmisdaden zijn. Daar is de gewone man (of zeer zelden, vrouw) die afzakt in of zich gewend aan moorden en daar is het brute monster. Er kunnen enkele gevallen tussenin zijn, en Heim kan één van hen zijn. In tegenstelling tot Mengele, die een psychopathische beul in hart en nieren was, is Heim in sommige opzichten een twijfelachtiger voorbeeld en daarom belangrijker. Er wordt verondersteld dat hij in het bijzonder slecht moest zijn, omdat hij sympathiek praatte met zijn slachtoffers, voordat hij ze vermoordde. Maar misschien was hij gewoon meer ambivalent, dan sadistisch: een nog beangstigender idee.

Olga Lengyel, een overlevende van Auschwitz, merkte op dat minder dan 10 procent van de SS mannen sadisten waren; zij kon zich in werkelijkheid geen Duitser herinneren, die niet op enig moment iemand gered had. Toch werden de meeste mensen niet gered, maar vermoord en sadisme mengde zich gemakkelijk met incidentele gebaren van medeleven. Het recente baanbrekende boek van de historicus Wendy Lower, Hitler’s Furies, gaat dieper in op deze ethische verwarring soms op de manier van de ongeëvenaarde getuigenverklaring van Hermann Langbein People in Auschwitz (Mensen in Auschwitz). Lower concentreert zich op Duitse vrouwen, die wreedheden in het Oosten begingen; en sommigen van hen lijken in sommige opzichten tamelijk vriendelijk geweest te zijn. De lezer blijft terugkomen op het incident van één vrouw, Erna Petri (slechts één van de onderzochten van Lower, die gevangenisstraf uitzat voor haar moorden), die eerst eten gaf aan een hongerige groep Joodse jongens en ze vervolgens in de nek schoot, net zoals Hitler’s soldaten hadden gedaan met meer dan een miljoen Joden aan het Oostelijke front. Is het echt zo, dat dingen op de ene of op de andere manier zo zouden hebben kunnen gebeuren? Het onderzoek van Lower is fantastisch, maar haar beschrijving ketst tegen de verwachte muur: hoe kan een normaal mens zichzelf toestaan zulke vreselijke dingen te doen? Waartoe de herinnering aan het nazisme, samen met Hutu kwade machten en de andere dwangmatige machines van massale wreedheden, een klaar antwoord biedt: menselijke wezens doen het. Wij worden op de één of andere manier nooit moe deze vraag en dit antwoord te horen en dat mag ook niet.

Er is geen manier om het verhaal van Heim te vertellen zonder de sfeer van het naoorlogse Duitsland te beschrijven. Kulish en Mekhennet portretteren met vakkundigheid de stilte en onderdrukking, die de Nazimisdaden omgaven. Tot de processen van 1958 in Ulm, waarin de massamoorden door de SS gepleegd uitgebreid werden gepubliceerd en de Duitsers werden gedwongen om foto’s van soldaten, die op naakte vrouwen en kinderen schieten en ze in greppels gooiden, onder ogen te zien, beweerden velen, dat alleen een paar vooraanstaande Nazi’s echt bloed aan hun handen hadden. Na Ulm kwamen in de zestiger jaren het Eichmann-proces, het Auschwitz proces in Frankfurt en de explosie van woede van linkse terroristen, die aankondigden, dat naoorlogs Duitsland nog steeds een fascistisch bewind was. (Amerika en Israël waren ook fascistisch volgens de Rode Legerfactie, die concludeerden, dat verspreiding van de Nazi-schuld te dun was en verplaatsten het naar hun slachtoffers.)

De terroristen waren in bloed gedrenkte fanatici, maar ze hadden in één ding gelijk: In naoorlogs Duitsland hadden prominente ex-nazi’s succes op alle niveaus van de samenleving, waaronder de hoogste echelons van de overheid. Het Naziverleden werd uiteindelijk het merk, dat de Duitse nationale identiteit definieerde. In ieder geval in West Duitsland zagen, beginnend in de jaren 1980, scholieren foto’s van uitgeteerde lijken en werd verteld, dat alle Duitsers verantwoordelijk waren voor deze gruwel. De betekenis Duits te zijn, leerden de schoolkinderen, was, dat Duitsland nooit weer zoiets zou doen. Maar in de jaren ’50 en ’60 was het door het geweten gevoede onderwijs van het Duitse schuldgevoel nog niet begonnen en Nazi-geschiedenis bestond voornamelijk uit wat vaders weigerden te zeggen tegen hun kinderen, wat echtgenoten verborgen voor hun echtgenotes. Sommige kinderen keurden hun vaders geheel af; sommigen wilden meer weten en sommigen maakten loyaal verontschuldigingen voor de Nazi-wandaden.

Zoals Mengele’s zoon Rolf, beschermde Rüdiger Heim een moordenaar: hij bezocht zijn vader stiekem, hield zijn verblijfplaats geheim en kanaliseerde geld naar hem, zodat hij de justitie kon ontlopen. (De Duitse wet verklaart, dat de familie van de beklaagde op deze manier niet kan worden vervolgd voor obstructie van een strafrechtelijke zaak.) Maar Rüdiger beschermde zijn vader gedeeltelijk, omdat hij dacht, dat hij nog iets zou kunnen ontdekken, dat hij moest weten. Zowel Rolf Mengele als Rüdiger Heim wilden – moesten – zien en weten, wie hun vader werkelijk was en wat hij te zeggen had over zichzelf. Het antwoord in beide gevallen was niets en toch deinsden beide zonen terug hen te veroordelen zoals ieder beschaafd mens zou doen. De zonen van Mengele en Heim beroofden de slachtoffers van hun vaders, wat de slachtoffers meest nodig hadden, deze mannen voor het gerecht te zien en op deze wijze versterkten zij de misdaden van hun vaders. Maar Rüdiger Heim komt er wel goed van af in het boek van Kulish en Mekhennet: Hij betreurt antisemitisme en wordt opgejaagd door de Duitse schuld aan de Holocaust. Hij kan gewoon niet geloven dat zijn eigen vader deed, wat de geschiedenis vertelt.

***

Toen Heim in 1963 in Egypte landde, voelde hij zich welkom, ja zelfs op bekend terrein. President Nasser, als men zijn eigen woorden hierover mag geloven, was een trouw volgeling van de Nazizaak, zoals er maar weinigen waren. “Tijdens de Tweede Wereldoorlog was onze sympathie met de Duitsers,” vertelde Nasser in mei 1964 de Deutsche Nationalzeitung en voegde eraan toe: “De leugen van de 6 miljoen vermoorde joden wordt door niemand serieus genomen.” Wehrmacht Gen. Wilhelm Fahrmbacher bereidde het Egyptische leger voor in zijn pogingen om Israël in 1948 te vernietigen en Wilhelm Voss, een voormalige SS wapenexpert, ontwikkelde het Egyptische raket programma. Johann von Leers, een tot de Islam bekeerde, bekend als Omar Amin, diende Nasser als antisemitische propagandist. Von Leers was beroemd om zijn verkwistende dinertjes, waar zijn echtgenote Gisele trots rondstapte met er primitief uitziende gouden sieraden en toespelingen maakte, dat zij de reïncarnatie was van een priesteres uit de Bronstijd. De cirkel van oud Nazi’s in Egypte was bezaaid met spionnen. Door de samenwerking van de CIA met ex-nazi meesterspion Reinhard Gehlen, ontvingen veel van de SS mannen in Egypte Amerikaanse salarissen. De meest intrigerende figuur in dit team was Wolfgang Lotz, die in werkelijkheid een blonde, als Duitser geboren Jood met blauwe ogen vermomd als een Nazi was. Lotz werkte feitelijk voor de Mossad. Zich bewust over deze verraderlijke sfeer, had Heim nauwelijks contact met de andere ex-nazi’s in Egypte; hierin, als in zoveel andere zaken, werkte hij alleen.

In februari 1979 bracht Der Spiegel het verhaal dat Dr. Aribert Heim, een Nazi-oorlogsmisdadiger, waarvan de verblijfplaats onbekend was, in zijn onderhoud voorzag met de winsten uit zijn Berlijnse appartementengebouw; het geld werd doorgesluisd door de zus van Heim. Om te voorkomen, dat ze in problemen zou komen wegens belastingontduiking en om aan te tonen dat de winst van het gebouw naar Heim ging en niet meer naar haar, moest de zuster aantonen, dat hij nog in leven was. Dus verstrekte Heim een geluidsband, waarop hij zijn eigen bestaan bewees en het feit dat hij alhoewel ondergedoken, leefde van de huren betaald door Duitse burgers.

Er brak een politieke vuurstorm uit. De huurders van Heim waren woedend, samen met de rest van het Duitse publiek. Miljoenen Duitsers waren onlangs opgeschrikt door de enorm populaire Amerikaanse miniserie Holocaust, die de verschrikkingen van de Nazi-genocide bracht en ze waren voor het eerst enthousiast over de processen betreffende oorlogsmisdaden tegen vergrijsde Nazimisdadigers zoals Heim. Binnen enkele maanden werd Heim berecht en bij verstek veroordeeld en zijn middelen van bestaan in beslag genomen. Hij werd gedwongen om te verhuizen naar een kleine kamer in één van de vele verlopen hotels, waar hij bevriend raakte met de kinderen van de verhuurder en hij probeerde ze Engels en Frans te leren. (Heim was een vloeiend spreker van beide talen, samen met het Arabisch.) Zijn huisbaas en zijn tandarts begonnen met hem over de islam te praten en snel las Heim de Koran. Heim bekeerde zich in 1980 tot de Islam en nam de nieuwe naam Tarek Hussein Farid aan.

Zijn bekering was mogelijk oprecht, maar wellicht wilde hij alleen een betere vermomming, bang dat Aribert Heim nu een gevestigde naam was en dat hij ingehaald zou worden door de wet en het net zich rondom hem zou sluiten.

Kulish en Mekhennet tonen, dat het zoeken naar Heim eigenlijk het werk was van één man: Alfred Aedtner (die werd bijgestaan door de beroemde Nazi-jager Simon Wiesenthal).

Aedtner was een Wehrmacht veteraan die, nadat hij in 1964 rechercheur werd, onvermoeibaar Duitse oorlogsmisdadigers achtervolgde op een tijdstip, waarop de meeste van zijn collega Duitsers de “excessen” van het Derde Rijk wilden vergeten of verontschuldigen – of de daders beschermen. De onbeduidende Aedtner was een milde, goedgeklede liefhebber van schnitzel en bier, wiens staalharde aansturen om Nazi’s voor het gerecht te brengen nooit volledig is verklaard. Aedtner is de andere hoofdrolspeler van de Eeuwige Nazi en hij is net zo belangrijk als de vampierachtige entiteit van de titel. Heim speelt die tijdloze, bijna mythische figuur, de boosaardige man met een goed geweten, die tot het einde geen spijt betuigde. De flegmatieke Aedtner is gewoon een vakman, die tot een taak geroepen werd.

Het is net zo onduidelijk voor de zoon van Aedtner, als het is voor Kulish en Mekhennet, waarom Aedtner zo toegewijd was aan de achtervolging van Nazi’s, een opdracht, die reizen door heel Europa betekende om getuigenissen te horen, eindeloos veel tips over mogelijke getuigen op te sporen en geruchten, na te gaan, die bijna nooit tot succes leidden. (Van Heim werd, door de jaren heen, gezegd, dat hij in Spanje, Chili en een aantal andere plekken was, waar hij nooit geweest was.) De zoon van Aedtner zegt: “Hij wilde ze pakken,” de Verbrecher, de Nazi-misdadigers en die wil deed hem eindeloos frustrerende uren werken. De auteurs denken dat de toewijding van Aedtner tot het opjagen van Nazi’s misschien groeide uit niets meer dan een diepgeworteld verzet tegen lijden en dat hij nooit over het extreme, bijna oneindig vele leed, dat de Nazi’s hebben veroorzaakt heen kon komen.

Als dit het was, dan bereikte de eenvoudige reactie van Aedtner iets meer dan al de ingewikkelde theorieën over nazisme samen. Aedtner zou het nooit op deze manier hebben gezegd, maar hij is het waarschijnlijk eens met de zin uit het boek Job gegraveerd in Birkenau, dat de woorden van de slachtoffers van de Nazi’s weergaf: “O Aarde, bedek mijn bloed niet en laat mijn tranen nooit ophouden.”

Artikel trefwoorden: / /