Bloedbad in Netanya, tijdens Pesach (afbeelding: IDF-blog)

Er bestaat de wijdverbreide opvatting dat Palestijnse hopeloosheid het terrorisme verergert en de vooruitzichten voor vrede het terrorisme verminderen. Dit is altijd fout geweest. In feite is het tegendeel waar: wanneer de Palestijnen zich hopeloos voelen, vermindert het Palestijnse terrorisme; wanneer ze hopen dat ze overwinning boeken, neemt het Palestijnse terrorisme toe. Een Israëlische ijzeren vuist is nodig om zowel Israëlische als Palestijnse levens te sparen. 

Door Prof. Hillel Frisch

BESA Center Perspectives Paper nr. 498, 15 juni 2017

Het algemene mantra dat Palestijnse wanhoop het terrorisme verergert en dat de vooruitzichten voor vrede het doen verminderen is altijd nepnieuws geweest. Palestijns terrorisme stijgt altijd gelijklopend met hun hoop, dat het tij voor hen zal keren.

Tijdens de eerste intifada doodden de Palestijnen 91 Israëliërs, in de loop van iets meer dan vijf jaar. De Palestijnse terreur schoot echter drastisch omhoog toen het Camp David-vredesproces, dat eind 1991 op gang kwam, langzaam uitmondde in directe onderhandelingen met de PLO. De akkoorden van de Oslo-“vrede” gingen dan ook gepaard met een plotselinge toename van het Palestijnse terrorisme.

Hoe meer Israël concessies deed aan de Palestijnen – de oprichting van de Palestijnse Autoriteit (PA), de toekenning van PLO-leiderschap en het toestaan dat belangrijke Palestijnse terroristen de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook en zelfs Israël binnenkwamen – hoe meer terreurslachtoffers er vielen. In 1992, toen de Palestijnen zich realiseerden dat Israël zich terug ging trekken uit Gaza om plaats te maken voor een soort Palestijnse autonomie, steeg het aantal gedode Israëliërs van 11 het jaar daarvoor, naar 34 dat jaar. Na de ondertekening van de Verklaring van Principes en de oprichting van de PA in de zomer van 1994, verdubbelde dit aantal bijna (61). Toen de PA in 1995 werd uitgebreid tot de voornaamste Arabische steden op de Westelijke Jordaanoever, doodden ze 65 mensen, hoofdzakelijk als gevolg van drie zelfmoordaanslagen. De steden waren toevluchtsoorden voor terroristen geworden, waarin de IDF niet binnen kon komen uit angst voor internationale veroordeling.

De linkse Israëlische regering en vooraanstaande linkse intellectuelen noemden de slachtoffers van deze terreurdaden korbanot hashalom, oftewel slachtoffers gedood op het altaar van de vrede. Onnodig te zeggen, dat veel familieleden van de slachtoffers, net als andere Israëliërs, deze benaming beledigend vonden.

Palestijnse wanhoop deed zich voor na de verkiezingsoverwinning van Netanyahu in 1996. Volgens het mantra zou het terrorisme moeten zijn toegenomen. Het tegenovergestelde gebeurde. Terrorisme daalde drastisch: het daalde meer dan de helft tot 32 doden in 1997 en in 1998 daalde het tot 13, in 1999 daalde het verder tot vier in 1999, Netanyahu’s derde en laatste jaar in functie op dat moment.

Een deel van de daling kan worden toegeschreven aan de inspanningen van de PA om krachtig op te treden tegen Hamas terroristen. Dit werd gedaan in de wetenschap, dat verdere concessies door een rechtse regering slechts denkbaar waren, indien Joods bloedverlies zou afnemen.

Sinds de tweede intifada heeft dezelfde tendens overheerst. Israël’s verovering van Arabische steden op de Westelijke Jordaanoever in 2002 leidde tot een drastische vermindering van het terrorisme, het hoge niveau van 452 doden in 2002 daalde tot 13 in 2007. En nogmaals, in 2008 viel een vernieuwing van de vredesbesprekingen in 2008, samen met een stijging van het terrorisme, ditmaal tot 36 doden. In het jaar na de mislukking van de besprekingen, daalde het cijfer tot 15.

Netanyahu’s terugkeer in het ambt in 2012 viel samen met laag aantal slachtoffers van de Palestijnse terreur (10). Vervolgens leidden de grote inspanningen die VS-minister van Buitenlandse Zaken Kerry zich getroostte om de vredesbesprekingen opnieuw te starten tot een heropleving van de terreur – 19 doden in 2014, niet meegeteld de 72 doden van de derde ronde van het Israëlisch-Hamasconflict.

Waarom leidt de hopeloosheid tot minder Palestijns terrorisme en een gevoel van hoop tot meer terrorisme? Dit is niet zo onlogisch als het lijkt. De neiging om in opstand te komen stijgt niet wanneer alles verloren schijnt, maar wel wanneer de vooruitzichten voor de opstandigen lijken te verbeteren, maar de verbetering niet aan de hogere verwachtingen voldoet.

Hetzelfde verschijnsel deed zich ook voor tijdens de Iraanse revolutie en de zogenaamde Arabische lente. De Iraanse revolutie vond niet plaats na een periode van wanhoop, maar na een sterke stijging van het inkomensniveau van de stedelijke Iraniërs gedurende ten minste een decennium. Veel van die stadsmensen – dezelfde mensen die van de revolutie een realiteit maakten – kregen later spijt van hun rol bij de val van de Sjah.

Op dezelfde manier vonden in de Arabische Lente revoluties plaats in de twee Arabische staten – Tunesië en Egypte – die gedurende de voorgaande drie decennia in het Midden-Oosten de grootste verbetering op de menselijke ontwikkelingsindex hadden getoond. Deze index is samengesteld uit drie indicatoren: het bruto binnenlands product per hoofd, opleidingsniveau en levensverwachting. Deze periode viel samen met de regering van Mubarak in Egypte en van Zein Abidin bin Ali in Tunesië. Nogmaals, het geweld was geen product van een gebrek aan verbetering. Er was genoeg verbetering – zozeer, dat de verwachtingen sterker stegen dan de menselijke welzijnscurve.

Dezelfde irrationele dynamische toevalligheid kan worden gezien in de onroerendgoed-zeepbel of in de Madoff-achtige Ponzi-intriges, die zelfs de meest rationelen en opgevoeden in de val hebben laten lopen.

Vredesprocessen vallen ook ten prooi aan verstoorders. Hamas, die de meerderheid behaalde in de laatste verkiezingen die op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza werden gehouden en de kleinere Islamitische Jihad zijn de hele tijd vurig bezig om pogingen tot vrede te komen te laten ontsporen.

De moraal van het verhaal: er moet een aanzienlijke meerderheid aan beide kanten klaar staan om de noodzakelijke concessies te doen, voordat er een “vredesproces” wordt geprobeerd. Tot die tijd zijn er nauwelijks concessies nodig, maar een Israëlische ijzeren vuist om Israëlische en Palestijnse levens te sparen.

Prof. Hillel Frisch is hoogleraar politieke wetenschappen en Midden-Oostenstudies aan de Israëlische Bar-Ilan universiteit en senior researchcompagnon aan het Begin-Sadat Centrum voor Strategische Studies. 

BESA Center Perspective Papers worden gepubliceerd met dank aan de familie Greg Rosshandler. 

Bron: www.besacenter.org

Vertaling: PoF