Op 29 november jl. werd de verjaardag gevierd van de niet-bindende resolutie 181 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarin de verdeling van het Britse mandaatgebied Palestina in een Joodse en een Arabische staat in het land Israël werd bekrachtigd. Onderzoeker Ze’ev Jabotinsky zegt dat het internationaal recht de Joden recht geeft over heel het land Israël, niet slechts over een deel ervan.Door Simon Cohen, 29 nov. 2017

Ze’ev Jabotinsky, de kleinzoon van de gelijknamige vader van het Revisionistische Zionisme, is een geleerde die de kwestie van Israël’s rechten in het internationaal recht heeft onderzocht.

In een interview met Arutz Sheva verklaarde Jabotinsky, dat het door resolutie 181 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bepleite verdelingsplan in feite niet in overeenstemming was met het internationaal recht.

“De beslissing is in strijd met het internationaal recht, het is heel eenvoudig. We herdenken de verkeerde gebeurtenis. Het besluit van 29 november werd genomen in strijd met het Handvest van de VN. Het werd goedgekeurd door de Algemene Vergadering, die een commissie stuurde om de situatie in Palestina te onderzoeken en aanbevelingen te doen en de aanbevelingen die werden ingediend werden niet overgenomen door diegenen, die geacht werden ze te aanvaarden: het Britse mandaat, en niet de Arabieren, zoals velen denken. Het mandaat heeft de aanbevelingen niet aanvaard en niet opgevolgd”.

“Waarom aanbevelingen? Omdat elke resolutie, die in de Vergadering van de Verenigde Naties wordt aangenomen, eerder een aanbeveling is dan een operationeel besluit. Een operationeel besluit wordt alleen genomen op grond van artikel 7 van het Handvest van de VN en de Veiligheidsraad”.

“De aanbeveling werd niet overgenomen en sommigen kunnen misschien denken, dat daardoor de rechtsgrondslag voor onze rechten op het land Israël is komen te vervallen, maar dat is niet het geval. De internationale rechtsgrondslag was op een andere datum tot stand gekomen, die we niet vieren en op school niet noemen. Dat was toen de Volkenbond het Britse mandaat heeft aangenomen in een stemming, waarbij alle leden van de Bond unaniem het mandaat hebben aanvaard en op deze manier het mandaat internationaal recht werd en in dit mandaat worden de rechten van het Joodse volk erkend om een nationaal thuis in het land Israël te vestigen.

“Het maakte deel uit van het proces, dat begon met de Balfour Verklaring, een intentieverklaring van de Britse regering en een soort aangegane verplichting, maar het was nog geen onderdeel van het internationaal recht. Het werd aangenomen tijdens de Vredesconferentie van Parijs, waar een internationale hoorzitting werd gehouden over wie de soevereine natie in het land Israël zou worden. Koning Faisal, die destijds als koning van alle Arabieren werd beschouwd, was daar uitgenodigd. Hij kreeg van de Britten een belofte van controle over het hele Midden-Oosten. De Britten konden niet voldoen aan deze belofte, omdat een deel van zijn koninkrijk Syrië zou moeten zijn en Syrië en Libanon werden aan de Fransen beloofd. Er volgde een botsing en de Britten kroonden hem over Irak en zijn broer over wat vandaag de dag Jordanië heet.

“Het Britse mandaat verplichtte de Britten het Joodse volk via de Zionistische beweging soevereiniteit te verlenen over het land Israël als de Joden de meerderheid werden in het land Israël en dat is in wezen de bron van ons recht in het internationaal recht. Toen Ben Goerion de staat Israël uitriep, deed hij dat acht uur voor het einde van het Britse mandaat om de bevoegdheden van die rechten over te nemen. Daarom heeft volgens het internationaal recht alleen het Joodse volk recht op soevereiniteit over het westelijke deel van Israël door middel van de zionistische beweging – aanvankelijk hield dat ook de oostelijke kant van het land Israël in, maar we hebben het oostelijke deel opgegeven”.

Volgens Jabotinsky markeert het Joodse volk de verkeerde datum wanneer het 29 november viert, terwijl het eigenlijk de dag moet zijn, waarop het internationaal wettelijke recht van het Joodse volk op het land Israël begon: 24 juli 1922, de dag van de ratificatie van het Britse mandaat, waarop het besluit verschijnt, dat het Joodse volk het recht schenkt zijn nationale woonplaats in het land Israël opnieuw te vestigen.

“Het woord ‘opnieuw te vestigen’ is belangrijk omdat het een erkenning is van het historische recht van het Joodse volk op het land.

Jabotinsky voegde eraan toe, dat “het enige orgaan dat gemachtigd had kunnen worden om afstand te doen van rechten, die door de Volkenbond aan het Joodse volk zijn verleend, een gekozen orgaan van de Zionistische beweging is. Dit orgaan heeft niet besloten afstand te doen van rechten. Wat er in feite is gebeurd, is, dat de Arabische landen geprobeerd hebben om de Zionistische onderneming volledig uit te wissen, daarin gefaald hebben, maar er wel in geslaagd zijn om delen van het westelijke deel van Israël te veroveren – maar dat betekent niet, dat we ermee hebben ingestemd”.

“Het enige lichaam dat vandaag (onze rechten op het land) kan opgeven is de Knesset, omdat het de soevereine vertegenwoordiging is van de Zionistische beweging, die de oprichting van de Knesset heeft voortgebracht. Niet de premier en niet de regering, maar de Knesset is de soevereine vertegenwoordiger – of het volk in een referendum.”

Wat betreft de Oslo-akkoorden, die de erkenning van een andere soevereine partij in Judea en Samaria kunnen omvatten, namelijk de Palestijnse entiteit, zei Jabotinsky dat zelfs in deze akkoorden werd besloten de discussie over soevereiniteit uit te stellen tot de permanente besprekingen tussen de partijen. Jabotinsky zei dat de akkoorden van Oslo binnen vijf jaar hadden moeten worden gesloten en dat ze na afloop van deze periode volgens het internationale recht niet langer relevant zijn.

Bron: www.israelnationalnews.com

Vertaling: PoF