Het Hoog Rabbijns Gerechtshof beveelt het Ministerie van Binnenlandse Zaken een vrouw als Joods te registreren, die in het Christendom gedoopt is en die een christelijke levensstijl leidt.

Eliran Aharon, 02/10/18

(Foto: Joodse vrouw/ISTOCK) Een Joodse vrouw uit een afgelegen dorp in ‘Georgia’ (onduidelijk of het artikel hier de VS-staat Georgia bedoelt, of het land Georgië – PoF), die getrouwd is met een niet-Jood en die met haar kinderen binnen het Christendom werd gedoopt, wendde zich tot het Rabbijnse Hof en verlangde dat zij als Joods zou worden geïdentificeerd.

Ze zei dat ze heel haar leven een christelijke levensstijl heeft aangehouden en heeft geweigerd zich te onderwerpen aan een halachisch proces (bekeringsproces overeenkomstig Joodse regels over de terugkeer tot het Jodendom, zoals gebruikelijk is voor elke Jood die zich tot een andere godsdienst bekeerde en tot het Jodendom wil terugkeren). 

Het regionale Rabbijnse Hof verwierp haar verzoek tot registratie als zijnde Joods, waarmee ze onder de Wet van Terugkeer naar Israël zou kunnen emigreren en besloot haar geen toestemming te geven om zich aan een ceremonie van terugkeer naar het Jodendom te onderwerpen, omdat ze nog steeds een christelijke levensstijl leidt en met haar Christelijke man blijft wonen.

De vrouw deed een beroep op het Hoge Rabbijnse Hof, dat werd geconfronteerd met de ingewikkelde en moeilijke kwestie van het bepalen van de ‘Joodsheid’ van een vrouw die geboren is uit een Joodse moeder, maar die zich in de praktijk tot het Christendom bekeerde en met haar Christelijke man samenwoont.

Leden van het Hoge Rabbijnse Hof, de rabbijnse rechters van het Hof Rabbi Eliezer Igra, Rabbi Aharon Katz en Rabbi Shmuel Shapira hielden zich lange tijd met de zaak bezig en publiceerden uiteindelijk een 46 pagina’s lange, halachische uitspraak (uitspraak overeenkomstig de regels van de Joodse wetgeving), waarin dieper wordt ingegaan op de halachische en rechtsgeschiedenis van de definitie van Jood-zijn.

Uiteindelijk besloot het Rabbijnse Hof haar beroep te accepteren en instrueerde het Ministerie van Binnenlandse Zaken haar als Joods te registreren, ondanks het feit dat de Wet van Terugkeer bepaalt dat deze niet geldt voor degene, die zich vrijwillig heeft bekeerd tot een andere godsdienst.

De rechterlijke uitspraak behandelt uitvoerig de kwestie van gemengde huwelijken vanaf de tijd van Ezra en Nehemia en de immigranten uit Babylon die destijds in Israël aankwamen, tot de immigranten van onze tijd. De uitspraak besteedt ook uitvoerig aandacht aan het probleem van assimilatie door de geschiedenis heen tot op de huidige dag.

Op basis van tientallen halachische instanties en bronnen vanaf de Shulchan Aruch (het belangrijkste Joodse wetboek geschreven door rabbijn Yosef Karo, die leefde van 1488 tot 1575), tot de Rishonim (Pioniers, geleerden die leefden vóór de samenstelling van de Shulchan Aruch) en Acharonim (Laatsten, geleerden die leefden na de samenstelling van de Shulchan Aruch) en autoriteiten van onze tijd, heeft het Hof geoordeeld dat:

“1. De aanvraagster Joods is en niet van een andere godsdienst. 2. De wet die van toepassing is op de appellant, is zoals die van toepassing is op een baby, die opgroeide onder niet-Joden en ze hoeft geen mitzvot (geboden) en onderdompeling in een ritueel bad te accepteren. 3. Maar we moeten dan nog eisen, dat ze een belofte aflegt niet naar de kerk te gaan en dat na haar aankomst in Israël, de relaties van haar en haar kinderen met Joden zijn, en niet met Christenen. 4. Volgende op deze aangegane verplichting zal het Hof het Ministerie van Binnenlandse Zaken bevelen, de aanvraagster als Joods te registreren en dit is haar wettelijke status.”

Bron: www.israelnationalnews.com

Vertaling en bewerking: PoF