begrafenis na aanslag

God, waar bent u?
Als het kwaad gebeurt met goede mensen is het normaal om te vragen: “Waar bent U, God?”

door BOAZ MICHAEL

Om de paar minuten hoor ik het loeien van het geluid van de ambulance en de politiesirenes in de straat. Mijn kantoor is op de elfde verdieping van een wolkenkrabber in Jeruzalem, van waaruit ik het grootste deel van de stad kan zien.
Het toegenomen geluid van de sirenes van de politie en ambulances, die je in Jeruzalem hoort, is het gevolg van een recente stijging van het geweld van terroristen. Om de paar decennia beleeft Israël een “Intifada” (Arabisch voor opstand). De Intifada’s worden aangewakkerd, wanneer radicale geestelijken en leiders van terroristische organisaties hun volgelingen vragen om geweld en terreur te gebruiken tegen het Israëlische publiek.Elke Intifada wordt uitgevoerd met behulp van een andere methode van terreur. Ik herinner me nog toen ik hier in de jaren ’90 woonde, dat Israël dagelijks werd geterroriseerd door zelfmoordenaars, die zich in bussen en cafés lieten ontploffen. Het was een tijd van enorm verdriet en angst. Maar, net als in moeilijke tijden in het verleden, overleefde Israël, veegde het als het ware van zich af en bleef een licht onder de volken.

Met deze recente golf van terroristische activiteiten word ik opnieuw herinnerd aan de spanning, die hier bestaat. De nieuwe terroristen hebben hun verlangen uitgevoerd door te steken, te schieten en zware cementblokken te smijten met de intentie om zoveel mogelijk Israëliërs te doden en te verminken.
Om de recente aanvallen het hoofd te bieden nemen Israëliërs lessen in zelfverdediging en kopen persoonlijke wapens, zoals pepperspray. De meesten van ons moesten iets in onze dagelijkse routines veranderen. Normaal loop ik hard, vroeg in de morgen, wanneer de straten leeg zijn. Ik moest mijn hardlooproute wijzigen om op een later uur te hardlopen, wanneer ik niet zo kwetsbaar ben door alleen te zijn.

Deze spanning, die door mij en het Israëlische volk wordt gevoeld is een weerspiegeling van een diepere spanning, die door alle mensen wordt gevoeld. Namelijk, waarom laat God verschrikkelijke dingen gebeuren met goede mensen? Sommige mensen verlichten deze spanning door het bestaan van God te ontkennen. Voor gelovigen vormt het probleem van het kwaad en het lijden één van de meest verbijsterende paradoxen van onze relatie met God. Waarom laat God toe, dat er kwaad gebeurt met anders goede mensen? Hoewel we misschien nooit zullen weten waarom, geloof ik, dat het voor de gelovigen gezond is, de moeilijke vraag te stellen: “Hoe kan God toestaan, dat er vreselijke dingen gebeuren met zijn dienaren?”

Deze moeilijke vragen waren de afgelopen dagen in ieders gedachten. Onlangs, op de terugweg van de vrijdagavond gebedsdienst in de synagoge, werd deze spanning weer gevoeld. Na een uur lange gebedsdienst, gevuld met vreugde en een energieke geest, ondanks de ongemakken, deed mijn vrouw me denken aan de overweldigende tegenstrijdigheid, die ze voelde. In het bijzonder worstelde ze met dit vers uit Psalm 97:
“U die de HEERE liefhebt, haat het kwade. Hij bewaart de ziel van Zijn gunstelingen, Hij redt hen uit de hand van de goddelozen”. (Psalm 97:10)

In tijden van veiligheid is het gemakkelijk om deze psalm met een zekere trots te bidden. “Ja, natuurlijk God beschermt ons, wij zijn Zijn volk”. Maar in tijden van onveiligheid maken deze verzen me ongemakkelijk. Als het waar is dat God zijn gunstelingen beschermt, waarom zijn dan zo velen van hen in de afgelopen dagen in de handen van de goddelozen gevallen?

Deze lastige vragen werden onlangs in een open brief aan God gevraagd door een prominente Israëlische rabbijn Cardozo.
In zijn gepassioneerde brief aan God geeft Rabbi Cardozo veel weer van wat mijn vrouw voelde, vrijdagavond van gebed op weg naar huis.

De Rabbi vraagt ondubbelzinnig, “Hoe kan ik hier bidden, wanneer een aantal van uw dienaren dit niet kunnen, omdat U toestond, dat ze gedood werden?”

Voor onze eindige menselijke geest heeft dit echt geen zin. Daarom vroeg de rabbijn aan God om een antwoord te geven, dat door menselijke wezens kan worden begrepen. De spanning, die hier wordt gevoeld is reëel en wordt alleen versterkt door het geloof in God. Toch bevrijdt deze spanning, voortkomend uit een geloof in God tegenover het kwaad, ons niet van het doen van ons werk. Wat is onze taak en hoe gaan we om met zo’n overweldigende paradox?

Ik denk dat de beste manier waarop we deze vragen kunnen beantwoorden is, niet rechtvaardigen wat God doet, maar in plaats daarvan onze hand uit te strekken in hulp naar slachtoffers van het kwaad. Iemand te bemoedigen met woorden van troost, want troost na een aanval is krachtiger dan de meest gekunstelde theologische overpeinzingen.
Het is in tijden als deze, dat God ons een perfecte gelegenheid geeft om te laten zien hoe ernstig we het menen, wat betreft het helpen van onze medemensen. Door de hand uit te strekken om te helpen, laten we zien, dat hoewel we door spanning worden geplaagd, we nog steeds op zoek zijn naar God, als onze bron van hoop en dat we ons laten leiden door het principe, dat de mens is geschapen naar zijn beeld.

OVER DE AUTEUR: Boaz Michael woont in Jeruzalem, Israël. Van daaruit leidt hij de First Fruits of Zion’s internationale inspanningen en is actief in de oprichting van een Messiaans-Joods leercentrum in Jeruzalem.

Artikel trefwoorden: